Caatje Melkhuijsen was 21 jaar oud toen ze in het voorjaar van 1736 een lot kocht voor de Generaliteitsloterij. Ze woonde in het Zuid-Hollandse Middelharnis, was vrijgezel. De zon scheen, de lucht was strakblauw, de wereld lachte Caatje toe. Het lot kostte 60 gulden. Wie weet, wie weet zou ze wel winnen?
‘17478’ was het nummer dat op haar lot stond.
‘1, 7, 4, 7, 8.’ Mogelijk heeft Caatje de cijfers voor zich uit zitten prevelen. Of ze heeft de reeks uit haar hoofd geleerd. ‘1, 7, 4, 7, 8.’
Op het papiertje liet ze ook haar initialen zetten, C.M., voor de zekerheid. Want stel je voor dat haar lot zou kwijtraken. Dat zou toch niet gebeuren?
Naast het nummer stonden er in die tijd ook vaak rijmpjes op een lot, al dan niet humoristisch of met een politiek gekleurde tekst. Bij de trekking in de Ridderzaal in Den Haag werden namelijk alle nummers voorgelezen, ook van de niet-winnende loten. Dat kon best saai zijn. Door de versjes en de spreuken bleef het voorlezen vermakelijk genoeg om te volgen.
Caatje woonde dat voorlezen niet zelf bij. Een reis naar Den Haag maakte je niet zo snel in die tijd. Mocht ze winnen, dan zou ze dat wel horen via de man bij wie ze het lot had gekocht: Abraham Hovendael uit Rotterdam. Toch?
Abraham Hovendael was een zogenoemde collecteur, iemand die het geld voor de loten inde. Hovendael had een drukkerij annex boekenwinkel. Collecteurs hadden vaker die achtergrond, want iemand moest die loten immers drukken.
Caatje had het lotbriefje niet thuis liggen. Collecteur Hovendael hield het voor haar in bewaring. Dat was wel zo veilig, je wilde niet dat het kwijtraakte.
Bij Hovendael was er weleens gedoe geweest met loten.
Het is niet duidelijk of Caatje zich hiervan bewust was, maar bij Hovendael was er weleens gedoe geweest met loten. De Amsterdamse Courant berichtte op 1 januari 1732 dat er drie ‘lotbriefjes uit de vierde classe’ waren ‘verlopen’. Degene die ze had gekocht, had ze niet in bezit, maar ze waren ook nooit ingeleverd bij Hovendael, die wel wist wie de eigenaar was. Wie het lot vond, en teruggaf aan de notaris annex boekdrukker zou per lot ‘één ducaat’ als beloning krijgen.
Later, in 1738, zou er weer iets aan de hand zijn met een lot dat bij Hovendael was gekocht, zo blijkt uit de Leydse Courant. Nu ging het om het lotbriefje met het nummer 37824 uit de 16e Generaliteitsloterij. De vinder zou weer een beloning van ‘één ducaat’ krijgen.
Dit alles betekende overigens niet dat Hovendael een onbetrouwbare figuur was. Hij verkocht en handelde namens de officiële Generaliteitsloterij. Op een nette manier.
Loten waren nu eenmaal eenvoudige papiertjes, en ze stonden doorgaans niet op naam. Bij verlies of diefstal kon iedereen ze inleveren. Met de publicatie van de kwijtgeraakte loten in de kranten, moest fraude worden voorkomen. Eerlijke vinders dienden beloond.
Het laat zien dat de overheid het toezicht op de Generaliteitsloterij serieus nam. Collecteurs, zoals Hovendael, waren niet alleen verkopers. Ze bewaakten ook het vertrouwen in de staatinstelling die de loterij was.
De Generaliteitsloterij was zeer belangrijk in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het landsbestuur gebruikte de opbrengsten van het lotingsspel om de staatskas te spekken. In een tijd waarin de politieke en economische omstandigheden grote veranderingen doormaakten, was de Generaliteitsloterij een belangrijk financieel instrument.
Om zoveel mogelijk mensen uit te nodigen om mee te doen, bestond de loterij uit meerdere zogenoemde klassen, meestal zo’n zes of zeven. Een klasse stond voor één trekking. Je kon meedoen vanaf de trekking van de eerste klasse, maar het was ook mogelijk om later in te stappen. Tussen de trekkingen zat zo’n zes weken.
De eerste ronde kende kleinere prijzen. Des te hoger de klasse, des de groter de prijs. Door het systeem van gespreide trekkingen bleef de loterij maandenlang spannend voor de deelnemers. De kans op winst bleef. De overheid had tegelijkertijd een constante stroom aan inkomsten.
Maar hier zal Caatje uit Middelharnis allemaal niet mee bezig zijn geweest. Zij zal het nummer van haar lot hebben genoteerd: 17478. Zij zou meedoen aan de vijfde klasse.
Het was niet zo gek dat het lot van Caatje werd verkregen in Rotterdam, want Middelharnis had nauwe contacten met de Zuid-Hollandse stad. Haar woonplaats was een levendig dorp, met een paar duizend inwoners. Het lag op het eiland Goeree, zeer gunstig voor de scheepvaart.
De voornaamste inkomstenbron van de inwoners van Middelharnis was in die tijd de handel in tarbot, maar ook kabeljauw en haring. De vis was geliefd bij Engelse kooplieden. Middelharnis had in de eerste helft van de achttiende eeuw de belangrijkste visafslag van het zuidwesten van de Republiek. Via handelshuizen in Rotterdam bereikte de waar de Engelse markt.
Door grondaanwassen en inpolderingen groeide en groeide het eiland van Caatje. De haven van Middelharnis kwam steeds verder landinwaarts te liggen. De bewoners vonden de oplossing in zogenoemd ‘havenkanalen’, van de zee naar de haven. Via dit kanaal bleef Rotterdam goed bereikbaar voor de markt- en beurtschippers.
Ondanks de vele contacten die Middelharnis door de vishandel had met de buitenwereld bleef Goeree een gesloten eilandgemeenschap. De bewoners richtten zich vooral op elkaar. Hun orthodox-gereformeerde geloof had het laatste woord. De kerkenraad en de dominee bewaakten de sociale tucht. Vroom en ordelijk was het devies.
Catharina Jans Mulckhuijsen, zo werd Caatje voluit genoemd. De tweede naam ontleende ze, naar het gebruik van die tijd, aan haar vader Jan. Of ze persoonlijk naar Rotterdam is afgereisd om het lot te kopen, met haar 21 jaar, is maar de vraag. Het kan ook zijn dat ze het lot via een zogenoemde ‘onderverkoper’ heeft verkregen, die daarvoor rondreisde en ook Middelharnis aandeed.
Misschien heeft de dominee van haar haar kerk het lot wel namens haar gekocht, dominee Martinus Ackersdijk. Hij was sinds 1728 verbonden aan de kerk waar Caatje iedere zondag de dienst bijwoonde.
Ackersdijk kwam uit Den Bosch, waar hij in 1693 was geboren. Omdat hij als predikant niet de zogenoemde ‘belasting op trouwen’ hoefde te betalen, blijft onduidelijk in welke financiële en dus sociale klasse hij zat. Waarschijnlijk kende hij de Rotterdamse lotencollecteur persoonlijk. Als drukker bezat Hovendael het exclusieve recht op het drukken van predikbeurten.
Het ligt voor de hand dat Caatje en de dominee het lot samen hebben gekocht, om de kosten te delen. Zestig gulden was in die tijd een fors bedrag. Een gemiddeld jaarsalaris was toen 500 tot 600 gulden; een grachtenpand in Amsterdam kostte zo’n 5000 gulden. Meedoen aan de loterij was voorbehouden aan welgestelde personen.

Sommige onderverkopers boden delen van een lot aan, zoals de Staatsloterij nu nog de mogelijkheid heeft om een vijfde lot te kopen. Om zelf ook wat te verdienen, telde een collecteur wat bij de kosten van een lot op, meestal een paar centen. Zij moesten toch ook ergens van leven.
Het is wel een beetje vreemd dat Caatje samen optrok met de dominee. De bijbel verbiedt gokken niet expliciet, maar waarschuwt wel voor hebzucht.
Het is wel een beetje vreemd dat Caatje samen optrok met de dominee. De bijbel verbiedt gokken niet expliciet, maar waarschuwt wel voor hebzucht. Een kaartspel werd al een ‘duivels prentenboek’ genoemd. En: ‘Gods zegen rust niet op den dobbelsteen.’
Meedoen aan een loterij was een ‘verzoeking des duivels’. Sommige kerkenraden ontzegden leden die lootjes verkochten het avondmaal.
Maar mogelijk vond dominee Ackersdijk dat hij voor de Generaliteitsloterij een uitzondering mocht maken. Het betrof immers een officiële instelling van de overheid.
Het riekte minder naar demonische geldzucht.
In het jaar dat Caatje meedeed, werd de dertiende editie van de Generaliteitsloterij georganiseerd, die de overheid op 4 oktober 1735 had afgekondigd.
En het nummer dat haar dus geluk moest brengen, was 17478. Had ze het goed onthouden?
De trekking van de vijfde klasse begon op 4 juni 1736 en duurde enkele dagen. En het wonder waar zij zo op hoopte, maar wat ze niet voor mogelijk had gehouden, gebeurde. De dominee en zij wonnen de hoofdprijs in de vijfde klasse.
Dertigduizend gulden! Dertigduizend! Caatje moet hebben gejuicht, geschreeuwd, gehuild van geluk. Haar leven zou onomkeerbaar veranderen. Het bedrag is te vergelijken met ruim € 800.000 nu. Daarvoor kon je wel een paar boerderijen kopen op Goeree. Zó-veel geld!
Maar dan verschijnt er een paar dagen later, op 13 juni 1736, een klein berichtje in de ’s Gravenhaegsche Courant. Het lot met nummer 17478, ‘dat geldig was in alle klassen van de dertiende getrokken is een prys van dertig duyzend guldens; vermist wijdende…’
Caatje was de nachtmerrie van iedere loterijdeelnemer overkomen. Haar was lot was kwijt, onvindbaar, weg.
Caatje was de nachtmerrie van iedere loterijdeelnemer overkomen. Haar was lot was kwijt, onvindbaar, weg.
Het bericht waarschuwde andere deelnemers om geen lot met dit nummer te kopen, want dan zou het vals zijn. ‘Wie het lot aantreft, wordt dringend verzocht het vast te houden en het naar genoemde Hovendael te brengen. De vinder ontvangt daarvoor een goede beloning.’
Het vreemde was, zo schreef de ’s Gravenhaegsche Courant, een paar dagen later, dat collecteur Hovendael het winnende lotbriefje kort na de trekking had laten zien aan twee vertegenwoordigers van de Generaliteitsloterij die hem het goede nieuws van de gewonnen prijs kwamen vertellen.
Omdat het om de hoofdprijs ging, liet directeur Copius van de Generaliteitsloterij een officiële waarschuwing uitvaardigen aan alle collecteurs overal in het land: de prijs mocht beslist niet worden uitbetaald aan iemand die zei het lot in bezit te hebben, behalve als het Hovendael zelf was.
De eventuele vinder werd dringend gevraagd het lot in te leveren bij de collecteur in Rotterdam. Hij zou ‘zonder vragen een beloning van 1000 gulden’ uitkeren. De premie gold tot 23 juni; daarna zou men ‘andere middelen’ gebruiken, vermoedelijk juridische stappen. Of het lot werd ongeldig verklaard.
Arme Caatje.
Een paar maanden later, op 15 september 1736, was Caatje het zat. Ze had nog steeds geen geld gezien. Met dominee Ackerdijk besloot ze om bij de plaatselijke notaris te laten vastleggen dat zij een lot hadden gekocht, met nummer CM 17478. Waarschijnlijk voor de zekerheid, voor het geval iemand anders aanspraak op de hoofdprijs wilde maken.
In de akte wordt afgesproken dat Ackerdijk al het nodige zal doen om toch hun prijs te krijgen. Daarvoor zou Caatje ‘in persoon en met al haar goederen’ borg staan.
Intussen moest zij haar geduld bewaren. Zou ze de prijs alsnog opstrijken? In haar dromen gaf ze het geld vast al een paar keer uit. Een huis, nieuwe kleding, een investering in een lokaal visserschip…
Wat zal ze hebben bedacht?
Ze was intussen niet meer alleen. Op 13 oktober 1736 ging ze in ondertrouw met Leendert Vink, een plaatsgenoot die dat jaar weduwnaar was geworden. Leendert was een goede partij. Hij was betrokken bij het waterschap en daarmee een notabele in Middelharnis.
De ambtenaar die controleerde of zij daadwerkelijk mochten trouwen, kon op dat moment niet vaststellen in welke klasse het stel zich bevond. Er waren in die tijd vijf belastingklassen. Bevond je je in de onderste categorie, dan betaalde je niets bij trouwen of begraven. Voor de hoogste klasse bedroeg de leges 30 gulden.
De ambtenaar sloeg Caatje aan voor een bedrag van 6 gulden trouwrecht, de derde klasse. Hij vermeldde er meteen bij dit meer kon worden. Als zij die loterijwinst alsnog zou opstrijken…
Na 45 dagen was het zover. Op 30 oktober 1736 werd opnieuw een notariële akte opgemaakt. Dominee Ackersdijk had goed nieuws. Hij meldde, aldus de akte, dat hij ‘na veele aangewende sollicitatien en devoiren egter de penninge hadde ontfangen’.
De dominee overlegde een ‘kostenoverzicht’. Het uitzoekwerk had hem 2.400 gulden gekost. Een fors bedrag, zo’n vier jaarsalarissen. Het document vertelt niet waarhij zoveel geld aan kwijt was geweest, maar kennelijk aanvaarde Caatje zijn voorstel.
Het document vertelt niet waarhij zoveel geld aan kwijt was geweest, maar kennelijk aanvaarde Caatje zijn voorstel.
Na aftrek van die kosten en de 12 procent kansspelbelasting à 3600 gulden, bleef er 24.000 gulden over. De dominee en Caatje streken ieder 12.000 gulden op. Alsnog een enorm bedrag.
Een paar dagen later, op 4 november 1736, zou Caatje trouwen. Bij het opmaken van hun testament waren zij en Leendert beiden ‘cloek en gesont’. Caatje liet vastleggen dat haar moeder een legaat van 50 gulden zou krijgen, mocht er toch iets met haar gebeuren. Een substantieel bedrag voor Caatjes moeder, een weduwvrouw. De rest van haar erfenis zou naar haar echtgenoot en eventuele kinderen gaan.
Zij en Leendert zouden vier kinderen krijgen, twee dochters en twee zoons. Dochter Geertruij, vernoemd naar haar moeder, kwam na twee jaar huwelijk ter wereld. Een jaar later volgde Neeltje. Zoon Jan werd weer een jaar later geboren. Jongste zoon Hendrik sloot de rij in 1742.
Twee jaar nadat de hoofdprijs was uitgekeerd, vertrok dominee Ackersdijk naar zijn geboorteplaats Den Bosch. Hij stopte al op 45-jarige leeftijd als predikant. Het is onduidelijk waarom hij zo jong met emeritaat ging. Doorgaans was dat bij ziekte, maar mogelijk hoefde hij niet meer te werken omdat hij de Generaliteitsloterij had gewonnen?
Hij leefde nog tot 1763. Niet onbemiddeld, dat kan niet anders. In de archieven duikt een oorkonde op over een lening die hij 1742 verstrekte aan ene Johan uit Moergestel voor een boerderijtje, inclusief een ‘varkenskot’ en een boomgaard.
Caatje zou op 5 oktober 1769 overlijden, 54 jaar oud. Ze bevond zich nog steeds in de derde belastingklasse, waartoe ze dankzij de hoofdprijs was opgeklommen.
Haar nazaten hebben helaas niet lang van de hoofdprijs van de Generaliteitsloterij geprofiteerd, zo blijkt uit de snippers die in de archieven zijn terug te vinden van hun lotsverhalen.
Haar nazaten hebben helaas niet lang van de hoofdprijs van de Generaliteitsloterij geprofiteerd, zo blijkt uit de snippers die in de archieven zijn terug te vinden van hun lotsverhalen.
Zo overleed jongste zoon Hendrik in 1787 jammerlijk jong, op 45-jarige leeftijd. Zijn weduwe Jacomijntje bleef zwanger achter. Na de bevalling van een dochter werd zij ‘krankzinnig’, aldus een archiefstuk van de kerk die haar opving. ‘Door den rouw en door zwakheid’ moest Jacomijntje twee weken ‘gebonden’ op bed liggen.
Er was kennelijk geen familiefortuin om op terug te vallen, want de gemeente draaide op voor haar huur. De aardappelen die ze at, de turf waarmee ze haar huis verwarmde en de medicijnen die ze nodig had, waren voor rekening van de kerk. Haar dochtertje verbleef in een pleeggezin.
Een ander archiefstuk vermeldt dat een kleinzoon van Caatje als boerenknecht aan de slag zou gaan in Melissant, een dorp vlakbij Middelharnis.
Het is onbekend of het in de familie nog weleens ging over grootmoeder Caatje en haar verdwenen lot met nummer 17478.