Beiden wonnen in de Generaliteitsloterij. De een in 1727 en de ander in 1773. De neven Meinertzhagen groeiden op in een welgestelde familie. Het fortuin leek hen toe te lachen, maar ieder ging anders met de rijkdom om. Voorspoed en tegenslag liggen soms dicht bij elkaar.
Deze geschiedenis moet beginnen met de kleine Jacob Meinertzhagen. Hij werd geboren op 13 februari 1721 in Utrecht als jongste in een gezin van vier. Boven hem zaten twee zussen en een broer.
Zijn ouders heetten Johan Werner Meinertzhagen (1681 – 1751) en Anna Maria Meinertzhagen (1689 – 1778). Inderdaad, vader en moeder hadden dezelfde achternaam, die ook wel werd gespeld als Meyndertshagen.. Ze waren volle neef en nicht van elkaar. Hun vaders waren broers. Het kwam in die tijd vooral in de stedelijke elite vaker voor dat familieleden met elkaar trouwden. Behoud van het kapitaal was doorgaans een belangrijk motief.
‘Onmondig’ staat er achter de naam van de kleine Jacob in de notariële akten uit die tijd. Waarschijnlijk was dit omdat hij minderjarig was en dus nog niet handelingsbekwaam. Of, mogelijk heeft de nauwe verwantschap van zijn ouders ertoe geleid dat hij met een aangeboren beperking ter wereld kwam, en was hij daardoor ‘onmondig’.
Wat er ook van zij, in 1727 besloot vader Johan Werner een lot te kopen voor de zesde verjaardag van Jacob. Althans, het is niet helemaal 100 procent dat zoontje Jacob dezelfde is als de Jacob Meinertzhagen die op de trekkingslijst staat. Het was een grote familie en de stamboom kent vele, vele takken. Maar genealogiedeskundigen gaan er wel vanuit
De naam komt op het lot te staan bij de stadsdrukker van ene Jan Jacob van Poolsum, gevestigd tegenover het ‘stadhuys’ van Utrecht. Bij de eerste trekking van de Tweede Generaliteitsloterij, die een jaar later plaatsvond, zou vader Meinertzhagen namens de kleine Jacob meespelen. Het lotnummer: 14396.
De familie Meinertzhagen was een van oorsprong invloedrijk Duits geslacht van bestuurders, koopmannen en bankiers. Een oudere neef van Johan Werner, die naar de naam Daniël Meinertzhagen luisterde, was lid van de Pruisische Geheimrat, een zeer belangrijk adviesorgaan van de Pruisische Koning. Hij trouwde wel buiten de familie en huwde in 1703 met Amalia van Stockum.
“De familie Meinertzhagen was een van oorsprong invloedrijk Duits geslacht van bestuurders, koopmannen en bankiers.”
Uit dit huwelijk werd in 1708 in Keulen, een precieze datum is niet bekend, een zoon geboren, die ook de naam Jacob zou krijgen, om precies te zijn: Jacob Daniel. Ook hem ging het voorspoedig. Hij zou namens de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden afgezant worden aan het Russische hof. In Sint-Petersburg zou hij in 1745 trouwen met Johanna Cruys, wiens grootvader Cornelis de basis had gelegd voor de Russische marine. Hiertoe had hij opdracht gekregen van tsaar Peter de Grote.
Zoals gezegd, de Meinertzhagens begaven zich in de hoogste kringen. Jacob Daniel reisde veel heen en weer tussen Sint-Petersburg, Den Haag, Amsterdam en waarschijnlijk ook andere belangrijke steden in Europa. Toch vond hij de tijd om in 1748 lid te worden van de prestigieuze Orangistische Heerensociëteit de Groote Club, ook wel Grande Société. De elite sprak in die tijd veelal Frans.
En hier in het verhaal komt de Generaliteitsloterij weer om de hoek kijken, want die herensociëteit was bedoeld als ontmoetingsplek voor tal van diplomaten, heren van adel en andere belangrijke personen. Stadhouder Willem IV zelf kwam er ok, net als zijn zwagers Willem Hendrik en Hendrik Carel. De leden betaalden jaarlijks 5 gouden dukaten, zo’n 25 gulden, aan lidmaatschap.
Naast alle gesprekken die de heren van de sociëteit voerden over politieke en bestuurlijke onderwerpen, hadden zij de behoefte om zich met meer ‘aardse zaken’ bezig te houden. Daarom deden ze gezamenlijk mee aan, jawel, de populaire Generaliteitsloterij. En zo speelde Jacob Daniël, net als zijn achterneef de kleine Jacob 45 jaar eerder, in 1773 mee met de Generaliteitsloterij.
Ze moesten er een paar maanden op wachten. Maar toen hoorde vader Johan Werner Meinertzhagen dat er op het lot dat hij voor zijn zoontje had gekocht een prijs was gevallen. De kleine Jacob had 20 gulden gewonnen. Mogelijk is met dit geld een cadeau gekocht voor de jongste zoon
“De kleine Jacob had 20 gulden gewonnen. Mogelijk is met dit geld een cadeau gekocht voor de jongste zoon.”
In die tijd kregen kinderen uit gegoede kringen veelal stichtelijke geschenken. Een prentenboek waarmee je het alfabet kon leren bijvoorbeeld. Een educatief spel was ook mogelijk, bijvoorbeeld om de namen van de provincies te oefenen. Het kan ook zijn dat de kleine Jacob van zijn vader een nieuw kledingstuk kreeg, of iets van zilver. Een zilveren gesp, een zilveren fluitje. Daarmee kon de familie meteen met haar welstand pronken.
Vader Johan Werner bleek zich aangetrokken te voelen tot alles waarmee geld kon worden verdiend. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was in die tijd in de ban van het speculeren in aandelen. De populariteit waaide over uit Parijs en Londen. Ook in Nederland werden er speciaal bedrijven opgericht voor de handel in aandelen
In Utrecht kwam Johan Werner Meinertzhagen in 1720 met het plan om een kanaal te exploiteren van Utrecht naar de Zuiderzee. Zo kan Amsterdam de loef worden afgestoken en de stad Utrecht zou een grote slag slaan. Erg realistisch was het niet. Maar de zogenoemde Provinciale Utrechtsche Geoctroyeerde Compagnie die Johan Werner hiertoe speciaal medeoprichtte, wist evengoed vele aandelen te verkopen. En daarin werd dan ook weer gehandeld.
Het was een ware windhandel, die niet draaide om een tastbaar product, maar om verwachtingen. Met de Utrechtsche Compagnie ging het al snel na de oprichting financieel mis. Dankzij de oprichting van een suikerfabriek en de inkomsten van loterijen in de stad Utrecht werd de onderneming op het nippertje gered. Grote winsten bleven uit.
De andere Jacob Meinertzhagen had meer geluk. De Haagse herensociëteit waarmee hij in 1773 meespeelde in de Generaliteitsloterij won een prijs van maar liefst 42.000 gulden. Het was de vraag wat de heren met dit bedrag wilden doen. Als ze het nou eens gewoon onder alle leden zouden verdelen? Dan zou iedereen 200 gulden krijgen.
Er werd een geheime stemming georganiseerd. Ook de leden die in het buitenland verbleven, kregen het verzoek hun mening te delen. Een minderheid van dertig leden wenst de prijs te verdelen onder de leden. Zestig mannen vonden dat het gewonnen geld beter nuttig kon worden besteed. Het is niet bekend waar onze Jacob op stemde
Een speciaal ingestelde commissie van zeventien leden onderzocht aan welk nuttig doel de prijs moest worden besteed. Een schouwburg bijvoorbeeld, maar dat bleek te duur. De beraadslagingen duurden lang. Er waren vele bijeenkomsten nodig. Drie jaar nadat de prijs was gewonnen, in februari 1776, besloten de heren uiteindelijk om het sociëteitspand te kopen, op de hoek van de Lange Houtstraat en het Korte Voorhout. Kosten: 26.000 gulden. Van het resterende bedrag werd een verbouwing betaald.
Waar Jacob Daniël Meinertzhagen in Den Haag bij de gevierde klasse hoorde, was Utrecht in 1735 niet langer veilig voor Johan Werner Meinertzhagen en zijn gezin. Na het debacle met het bedrijf dat een kanaal van Utrecht naar de Zuiderzee zou aanleggen, vluchtte hij naar de vrijplaats Culemborg, waar hij niet kon worden berecht. Het gezin bouwde hier een nieuw bestaan op.
“Waar Jacob Daniël Meinertzhagen in Den Haag bij de gevierde klasse hoorde, was Utrecht in 1735 niet langer veilig voor Johan Werner Meinertzhagen en zijn gezin.”
Van een dochter uit het gezin is een ‘familiejournaal’ bewaard gebleven. Over haar broertje Jacob schreef zij dat hij op dertienjarige leeftijd de ‘stuipen’ kreeg. In die tijd was medische kennis beperkt. De ‘stuipen’ kan hebben gestaan voor een acute infectie met koorts. Antibiotica was nog niet voor handen. Mogelijke behandelingen waren aderlaten, kruiden, rust of gebed. Stuipen werden vaak gezien als het laatste stadium van een ziekte.
‘Op 22 april 1735 is mijn broer Jacob Meinerthagen, na een ziekte van drie dagen, overleden aan de stuipen. Hij was dertien jaar oud, schreef zijn zus. Ook Jacob Daniel Meynertzhagen heeft maar kort kunnen genieten van de sociëteitsbijeenkomsten in het met het gewonnen loterijgeld opgeknapte pand. Hij overleed op 6 september 1778. De twee Jacobs hadden hun naam gedeeld, een familie én het toeval van een winnend lot. Nog een overeenkomst: beiden hebben niet echt lang van hun geluk kunnen genieten.
Dit artikel maakt deel uit van een reeks historische verhalen over Staatsloterij en haar voorlopers. De reeks is opgesteld ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan van Staatsloterij.
De verhalen zijn gebaseerd op onderzoek van verschillende historici en wetenschappers en zijn geschreven door loterijdeskundige Arjan van ’t Veer.
CasinoNieuws publiceert deze verhalen in samenwerking met Staatsloterij. De teksten worden integraal gepubliceerd onder de naam van de auteur. Voor deze publicatie ontvangt CasinoNieuws geen financiële vergoeding.