In 1761 kochten Rijksgraaf Coenraad van Heemskerck en jonkvrouw Sara Maria Bosch samen een lot. Ze waren niet getrouwd en zij was veertien jaar jonger dan hij. Wat hen bond? Het is vraag of dat mysterie ooit zal worden opgelost. Zeker is wel dat zij wonnen: ƒ15.000.
Het nummer van het lot dat Coenraad van Heemskerck en Sara Maria Bosch aan elkaar verbond, was 2230. En zoals op veel loten, stond er ook op hun briefje een rijmpje, een spreuk, dat werd voorgelezen bij de trekking. Het briefje van Coenraad en Sara vermeldde ‘de vergenoeging’.
De vergenoeging. Wie van de twee zou voor dat woord hebben gekozen? Zou het Coenraad zelf zijn geweest? Of had Sara erop aangedrongen?
Vergenoeging staat vandaag de dag voor iets waar je plezier aan beleeft. In de tijd van Coenraad en Sara, midden achttiende eeuw, had het een meer gedragen betekenis. Vergenoeging stond voor een deugdzame houding, waarbij men genoegen neemt met wat het lot brengt.
Maar doordat Coenraad en Sara het samen kochten, krijgt het woord een extra betekenis. Het gedeelde lot als zwijgzaam contract, als getuige van een bijzondere verbintenis.
Coenraad van Heemskerck was op 26 oktober 1714 geboren in Den Haag. Hij had twee broertjes en twee zusjes; Coenraad was de oudste thuis. Zijn vader Jan Henry van Heemskerck (1689 – 1730) behoorde tot een oud en invloedrijk regentengeslacht. Hij werd geboren in Amsterdam, maar is vermoedelijk naar Den Haag verhuisd omdat deze stad zich in die tijd ontwikkelde tot het bestuurlijke hart van de Republiek. Ook zijn moeder Anna Petronella van Schuylenburgh (1693 – 1766) behoorde tot de regentenstand.
Bij geboorte erfde Coenraad van zijn vader de adellijke titels Rijksgraaf van het Heilige Rijk, graaf van Heemskerck, en heer van Achttienhoven en den Bosch. In 1720, zes jaar na zijn geboorte, zou zijn vader de gronden en boerderijen aankopen die we vandaag de dag kennen als de Keukenhof.
De jeugd van Coenraad verliep voorspoedig. In Leiden zou hij rechten gaan studeren en al snel zou hij een betrekking vinden als advocaat bij het Hof van Holland, het hoogste gerechtsorgaan van het gewest Holland.
Hier in Leiden zou Coenraad kennismaken met zijn latere echtgenote, Agnes Margaretha Albinus. Zij was één jaar ouder dan hij en de dochter van de toonaangevende professor in de anatomie aan de universiteit Leiden, Bernard Siegfried Albinus. Eind goed, al goed, zou je denken. Geen wolkje aan de lucht.
De vrouw met wie Coenraad in 1761 samen een lot zou kopen, zou in 1728 worden geboren in Leiden. Sara Maria was de jongste dochter van David Bosch (1686 – 1767) en Wendelina van Alphen (1687 – 1775).
Haar vader was een brouwer uit Amsterdam, toen een ambacht met aanzien. Bier was een belangrijke drank in een tijd dat gewoon water vaak te vies was om te drinken. In 1716 werden vader Bosch officieel een zogenoemde poorter van de stad, op getuigenis van de toenmalige burgemeester van Leiden en de familie van zijn vrouw Wendelina. Hiermee werd hij officieel burger van de belangrijke universiteitsstad die Leiden was, met alle bijbehorende rechten.
De opa van Sara was namens de toenmalige Nederlandse regering consul in Genua, Italië geweest. Sara’s vader was hier geboren. Na de verhuizing naar Leiden werd hij in het naastgelegen Leiderdorp schout en kapitein van de schutterij. Hiermee werd hij verantwoordelijk voor de ordehandhaving. Het was een functie met aanzien.
Sara zou naar goed gebruik met ‘jonkvrouw’ worden aangesproken, ook al was ze niet van adel. Ze was immers een jonge vrouw van gegoede komaf, die bovendien ongetrouwd was.
In het jaar dat Sara tien jaar oud werd, zou Coenraad van Heemskerck trouwen met Agnes, de dochter van de vooraanstaande hoogleraar. Het huwelijk werd voltrokken op 23 december 1738, net voor Kerstmis. Ze zouden een zoon en een dochter krijgen en een statig pand aan het Noordeinde in Den Haag betrekken. Het deftige huis bestaat nog altijd. Het staat vlakbij Paleis Noordeinde, er is nu een chique zeepwinkel in gevestigd.
En, toevalligerwijs, bevond zich om de hoek in de Paleisstraat jarenlang het hoofdkantoor van de Staatsloterij. Maar Coenraad en Sara wisten toen nog niet dat de loterij zo’n grote rol in hun leven zou spelen, dat zij samen een lot zouden kopen, vol ‘vergenoeging’.
“En, toevalligerwijs, bevond zich om de hoek in de Paleisstraat jarenlang het hoofdkantoor van de Staatsloterij.”
Nee, Coenraad had in die jaren nog wat anders aan zijn hoofd. In 1744 zou hij promoveren aan de juridische faculteit van de Universiteit van Leiden.
Het ging zo goed met de familie Van Heemskerck dat ze zich in 1750 uitgebreid konden laten portretteren door de bekende portretschilder Mattheus Verheyden. Hij was vooral werkzaam in Den Haag en betrok zijn klanten uit de kringen van regenten en hoge ambtenaren. Verheyden schilderde zonder groot vertoon, maar met aandacht voor kleding, houding en sociale positie.
De portretschilderijen die Verheyden van Coenraad en Agnes maakte, bevinden zich vandaag de dag in de collectie van het Rijksmuseum. Als getuige van de gloriejaren van hun huwelijk.
Het is onduidelijk hoe Coenraad en Sara met elkaar in contact kwamen. Vaststaat dat ze in 1761 samen lotnummer 2230 kochten. Coenraad zou de benodigde 75 gulden betalen en de afrekening die hij naderhand opstelde, is bewaard gebleven in het Nationaal Archief in Den Haag.
Het archiefstuk is zeer gedetailleerd en biedt een inkijkje in de uitgebreide administratie die Coenraad over de loterij bijhield. Zo heeft Coenraad 100 gulden betaald aan ene Jan van Leeuwen die het lot bij hem thuis ‘bezorgde’. Dat is best een groot bedrag, en in die tijd helemaal, voor een betrekkelijk eenvoudige koeriersdienst, zo zou je zeggen.
Maar uit het archief blijkt ook dat Coenraad niet alleen met Sara een lot had gekocht. Hij had voor bijna 800 gulden aan loten kocht in 1766. Hij speelde met meerdere loten mee, in allerlei verschillende samenstellingen. Zo kocht hij ook samen met de vader van Sara een lot, en met haar zus Kornelia.
In de 45e trekking van de Generaliteitsloterij speelde Coenraad zelfs met een hele ‘straat’ loten; hij had tien hele loten eindigend op de eindcijfer 0tot en met 9. Tien hele loten kostten toen 750 gulden. Dit moest allemaal geregeld en gedistribueerd worden. Dan valt de vergoeding voor ‘bezorger’ Jan van Leeuwen relatief gezien mee.
“Hoewel Coenraad in Den Haag woonde en Sara in Leiden, besloten ze het lot te kopen in Amsterdam, bij de toen bekende verkoper Van Eyl.”
Hoewel Coenraad in Den Haag woonde en Sara in Leiden, besloten ze het lot te kopen in Amsterdam, bij de toen bekende verkoper Van Eyl. Misschien omdat daar veel prijzen vielen? Mogelijk omdat daar hun ‘geluksnummer’ 2230 nog te koop was? Of was daar het lot met de tekst ‘de vergenoeging’ nog beschikbaar? Aan de knecht van Van Eyl betaalde Coenraad in ieder geval 14 gulden.
Op het lot viel een prijs van 15.000 gulden, meteen in de trekking van de eerste klasse van de 44e Generaliteitsloterij. Coenraad en Sara zullen er inderdaad ‘vergenoegd’ mee zijn geweest.
Het was in die tijd gebruikelijk om weeskinderen de loterijtrekking te laten doen wegens hun zuivere imago. De loterij wilde zich van alle verdachtmakingen ontdoen. Een onschuldig kind stond voor eerlijkheid, zo was het idee. Naar dezelfde traditie schonken winnaars aan weeskinderen een beloning.
Coenraad bleef niet achter. Voor de ‘armjongens’ die het winnende lot van hem en Sara trokken, kocht hij, mede namens Sara, twee paar zilveren schoengespen à 25 gulden, en twee obligaties ter waarde van 200 gulden.
De jongens werden door Coenraad en Sara uitgenodigd naar Amsterdam te komen. Coenraad betaalde voor de reis van Den Haag naar Amsterdam 5 gulden en 5 stuivers. En voor de ‘arme meid’ die eerder al naar Amsterdam was gekomen om ‘de tijding van den prijs te brengen’, werd een zilveren beugeltas van 17 gulden gekocht. De boekhouder van het Weeshuis in Den Haag boekte later alles netjes in de speciale administratie die voor deze gelegenheden werd bijgehouden.
Al met al noteerde Coenraad 633 gulden en 9 stuivers aan kosten in zijn afrekening. Daarnaast moest er 1720 gulden loterijbelasting worden betaald (11,5%). Uiteindelijk bleef er voor Coenraad en Sara 12.646 gulden over om te verdelen. Beiden hadden recht op 6323 gulden.
Opmerkelijk genoeg maakte Coenraad zelf een andere rekensom in de boekhouding zoals die in de archieven is overgeleverd. Als jurist hield hij alles nauwgezet bij. Volgens hem hadden beiden recht op 6343 gulden. Hij verrekende zich met 20 gulden…
Hoe het ook zij, Coenraad maakte op 8 november 1762 6100 gulden over naar Sara. Hij telde de verloren rente à 213 gulden, ook wel agio genoemd, bij dit bedrag op. Hij noteerde dat hij haar in totaal 6313 gulden betaalde. Dat was dus nog 30 gulden minder dan zij volgens zijn eigen berekeningen nog moest krijgen. Die kreeg ze later contant.
Ondanks hun betrekkelijk grote welvaart rekende Coenraad dus alles tot achter de komma uit.
In juli 1763, twee jaar nadat ze samen de prijs wonnen, correspondeerden Coenraad en Sara met elkaar. Twee van de brieven die Sara schreef, bevinden zich ook in het archief. De schrijvens zijn zeer vriendschappelijk van toon. Duidelijk wordt dat Sara zich zorgen maakt om Coenraad. Hij was wat ziekelijk.
“In juli 1763, twee jaar nadat ze samen de prijs wonnen, correspondeerden Coenraad en Sara met elkaar.”
‘Uw brief van de derde van deze maand hebben wij goed ontvangen,’ schreef ze hem bijvoorbeeld, vertaald naar meer hedendaags Nederlands. ‘Wij hebben daaruit vernomen dat het u goed gaat, wat ons zeer aangenaam was om te horen. Ook met ons gaat het, dankzij Gods goedheid, zeer wel.’
In die tijd woonde Coenraad nog in Den Haag, zo blijkt. ‘Wij hopen dat alles daar goed is,’ liet Sara weten. ‘Verder weet ik niets meer te schrijven. Daarom sluit ik af met u de groeten en zegenwensen van mijn ouders te doen, en met de verzekering van mijn respect en oprechte vriendschap.’
Hoe Coenraad en Sara hun prijs hebben besteed, vertelt het verhaal niet. In 1765, twee jaar nadat Sara haar liefdevolle brieven verstuurde, verkocht Coenraad publiekelijk een deel van zijn ‘konstige, uitvoerige en welgeconditioneerde’ schilderijen. Hij vertrok alleen naar het buitenland. Zijn wettige echtgenote Agnes bleef achter in Den Haag.
In een brief die hij in 1768 aan Agnes stuurde, schreef hij haar dat ‘’t zo niet gaat’ en dat hij had rondgezworven zonder een vaste verblijfplaats. Hij was toen 54 jaar, en schreef vanuit het plaatsje Unterhausen in Duitsland, een weinig bekend dorp, dat voornamelijk draaide om de landbouw.
Wat had hij daar te zoeken? Was hij aan lagerwal geraakt doordat hij zijn kapitaal had uitgegeven aan de loterijen en aan de vrijgezelle Sara? Was zij zijn minnares geweest? Zat hij daar nu eenzaam zijn oude dag te slijten in een zielloos Duits gehucht?
In 1769 werd Coenraad op verzoek van Agnes zelfs onder curatele geplaatst, zo wijzen de archieven uit. Zij werd in 1773 zelf de bewindvoerder. Na haar overlijden namen de kinderen van Coenraad en Agnes deze rol over. Coenraad zou in 1787 sterven, toch nog 73 jaar oud.
Met de weeskinderen die het winnende lot van Coenraad en Sara hadden getrokken, liep het, naar het lijkt, beter af. Uit het archief van het wees- en armenhuis blijkt dat de gelukkigen Govert van Wenderen en Harmanus van Eeteren heetten. Het ‘arme meisje’ dat de beugeltas met zilveren gesp kreeg, was Wilhelmina van Manen.
“Met de weeskinderen die het winnende lot van Coenraad en Sara hadden getrokken, liep het, naar het lijkt, beter af.”
De zilveren schoengespen en de obligaties zijn daadwerkelijk aan de weesjongens gegeven. Harmanus zou het weeshuis in 1773 verlaten. Na de gelukkige trekking voor Coenraad en Sara had hij nog vier grote prijzen getrokken, waaronder 100.000 gulden in 1763.
Govert verliet het weeshuis in 1779. Hij kreeg de 205 guldens mee die hij met het trekken van prijzen had verdiend, plus de obligatie die Coenraad en Sara hem hadden geschonken.
Van Sara zijn uit haar latere leven slechts een paar notariële akten bewaard gebleven. Het betreffen volmachten en andere financiële zaken. In 1767 overleed haar vader, de bierbrouwer, in Leiden. Met haar moeder verhuisde Sara daarop naar Wageningen, waar haar zus Kornelia woonde. Sara schreef zich hier in 1768 in bij de Nederduits Gereformeerde gemeente. Dat is eigenlijk het enige wat in de archieven dan nog getuigt van haar leven.
Voor zover bekend, zou Sara haar hele leven vrijgezel blijven.
Zou ze nog weleens hebben teruggedacht aan het winnende lot dat ze in gelukkigere tijden met Coenraad had gekocht en waarop ze het woord ‘vergenoeging’ hadden laten noteren
Kozen ze dat woord vanwege het stille geluk dat zij deelden? Het kon, mocht en hoefde verder niet benoemd te worden. Het loterijbriefje volstond en voelde voor Coenraad en Sara misschien wel als de bevestiging waarnaar zij verlangden. In naam verbonden aan hetzelfde lot.
Dit artikel maakt deel uit van een reeks historische verhalen over Staatsloterij en haar voorlopers. De reeks is opgesteld ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan van Staatsloterij.
De verhalen zijn gebaseerd op onderzoek van verschillende historici en wetenschappers en zijn geschreven door loterijdeskundige Arjan van ’t Veer.
CasinoNieuws publiceert deze verhalen in samenwerking met Staatsloterij. De teksten worden integraal gepubliceerd onder de naam van de auteur. Voor deze publicatie ontvangt CasinoNieuws geen financiële vergoeding.