De Ridderzaal in Den Haag is tegenwoordig het ceremoniële centrum van onze democratie. Wat veel mensen niet weten, is dat die indrukwekkende ruimte lange tijd de Loterijzaal heette. Hier vonden in de achttiende eeuw de eerste trekkingen van de voorloper van de Staatsloterij plaats. Al ging dat niet altijd vanzelf.
Je mocht er geen snuiftabak gebruiken. Hard praten was beslist verboden. En briefjes aan elkaar doorgeven, mocht natuurlijk ook niet. Op de plek waar de koning vandaag de dag de troonrede voorleest, stonden vanaf 1726 de bussen van de Generaliteitsloterij, zoals de Staatsloterij toen nog heette. Hier vonden de eerste trekkingen uit de lange geschiedenis van de Staatsloterij plaats.
Aan de ene kant van het podium stonden de bussen met de lotnummers, aan de andere kant die met de prijzen. In de zaal liep een wirwar aan mensen door elkaar. Publiek, handelaren, bodes, weeskinderen, de loterijdirecteur; de Ridderzaal van nu was toen het epische centrum van de loterij.
Het was de eerste directeur Martin Copius die de Generaliteitsloterij naar het Binnenhof bracht.
Het was de eerste directeur Martin Copius die de Generaliteitsloterij naar het Binnenhof bracht. Hij was aangesteld door de Staten-Generaal, toen het hoogste bestuursorgaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Copius viel direct onder Gijsbert van Hogendorp, een van de belangrijkste heerschappen in de Republiek, want eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de financiële besluiten.
Hij stuurde het heffen van belastingen aan, en de Generaliteitsloterijen vielen onder zijn verantwoordelijkheid. Hij kreeg 8000 gulden voor elke georganiseerde loterij, zoveel belang werd er gehecht aan een goed verloop. De loterijen waren immers een belangrijke nieuwe inkomstenbron voor de Republiek. De functie van Van Hogendorp heette ontvanger-generaal. In 1740 zou hij worden opgevolgd door zijn zoon Johan.
Omdat de loterijen onmisbaar waren voor de financiële gezondheid van de republiek was het extra belangrijk dat de trekkingen transparant en zorgvuldig verliepen. En er diende zoveel mogelijk loten aan de man te worden gebracht. De beloning voor directeur Copius was dan ook goed te noemen: ƒ3000 per loterij.
‘Gezocht: een overzichtelijke publieke ruimte voor de loterijen,’ was een van de opdrachten die bovenaan de takenlijst van Copius had gestaan. De trekkingen van de eerste Generaliteitsloterijen duurden dagen, soms weken. Ze trokken vele, vele mensen. Alle loten werden voorgelezen: de winnende nummers én de nieten, de briefjes waarop geen prijzen vielen.
Omdat de overheid eiste dat dit massa-evenement netjes verliep, was een grote zaal nodig. Het vertrek midden op het Binnenhof in Den Haag, dat we nu kennen als de Ridderzaal, heette toen nog Grote of Hoge Zaal. In de Middelleeuwen deed die aanvankelijk dienst als voorportaal van de zogenoemde ‘rolzaal’, waar het Hof van Holland zitting hield, het hoogste gerechtsorgaan van het graafschap Holland. Daarvoor, onder graaf Floris V was het een feestzaal.
In de tijd van de Republiek kwamen hier nieuwe functies bij. Het werd een soort markthal. Er werden bijvoorbeeld boeken verkocht, en allerlei andere waar. Mensen kwamen er om wat te struinen, elkaar te ontmoeten, loten te kopen of een rondje te wandelen.
De zaal was groot en ruim, en al bekend bij het publiek. Ideaal voor de loterijtrekkingen, besloot Copius. Voortaan klonk steeds vaker Loterijzaal als naam voor de 2 ruimte. En dat zou zo blijven tot koningin Wilhelmina er in 1904 voor het eerst de troonrede uitsprak.
Eerdere versies van de Generaliteitsloterijen hadden in diezelfde zaal ook al hun trekkingen georganiseerd. Het is goed mogelijk dat Copius daarom ook bij deze ruimte uitkwam. Voor die voorlopers had hij zich ook ingespannen. Het zou kunnen dat hij het materiaal van die eerdere loterijen voor de Generaliteitsloterij inzette, maar dat is niet zeker. Misschien werden het podium en de trekkingsbussen wel nieuw aangeschaft.



Deze trekkingstrommel werd gebruikt voor het trekken van de winnende nummers in de zogeheten loterijleningen, die in Veere werden georganiseerd tussen 1814 en 1961.
Zeker is dat er twee bodes actief waren in de Loterijzaal. Zij luisterden naar de namen De Gelleke en Van Baak, en kregen ieder 50 cent per dag betaald. Verder is er weinig over hen bekend. Zij waren alle trekkingsdagen aanwezig. Daarnaast huurde Copius vier zogenoemde dienders in ‘voor ’t oppassen’. Kennelijk kregen de dienders via een andere overheidsdienst betaald; hun aanwezigheid tijdens de veertig dagen durende trekking kostte Copius maar 25 gulden.
Dit alles blijkt uit de archieven van de eerste loterijen, die zich in het Nationaal Archief in Den Haag bevinden. Hier is ook het document terug te vinden met de regels die in 1728 werden opgesteld voor de trekkingen, een soort werkprotocol. Met de lange lijst met strenge voorschriften wilde directeur Copius de ‘luijster en aansien’ van de Generaliteitsloterij vergroten.
Verder gold: niet tussendoor opmerkingen maken, geen briefjes uitwisselen, niemand toeknikken of een handgebaar maken. Iedere beweging die maar enigszins kon wijzen op gesjoemel was uit den boze. Alles voor de betrouwbaarheid van de uitslag.
Er waren twee klerken die toezagen op de trekkingen. Een onbekend aantal schrijvers noteerde de getrokken lotnummers en de prijzen. Het voorschrift voor hen: ‘Niets na te sien, of ergens anders op te letten als op de Lijst die hij voor zig heeft.’ Ze mochten alleen maar op hun eigen lijst kijken.
Verder gold: niet tussendoor opmerkingen maken, geen briefjes uitwisselen, niemand toeknikken of een handgebaar maken. Iedere beweging die maar enigszins kon wijzen op gesjoemel was uit den boze. Alles voor de betrouwbaarheid van de uitslag.
Voor de daadwerkelijke trekking kwamen er kinderen uit het Haagse weeshuis. Zij golden als onschuldig en dus betrouwbaar. Zij moesten garanderen dat de trekkingen eerlijk verliepen. De klerken namen de briefjes van de kinderen in ontvangst, maakten die open en gaven ze aan de bodes. Voornaamste taak van de klerken: ‘onordelijkheden’ voorkomen en waar nodig ‘commanderen’.
Om te voorkomen dat de kinderen in de drukte uit het zicht raakten, werd hun looproute precies beschreven. ‘De afgeschreven lijst […] door een der kinderen te laten geven aan de drukkers, boven aan de trap.
Directeur Copius wist dat de minderjarigen kwetsbaar waren voor de druk van volwassenen. Voor de zekerheid schreef hij daarom voor dat meerdere kinderen de getrokken briefjes overbrachten. Ze mochten alleen niet heen en weer rennen; ‘’t Gelop verhinderen’.
Bij eerdere trekkingen werd er geschreeuwd en geruzied. Zoveel wordt wel duidelijk uit het archiefstuk. De sleutels van de bussen met de loten en prijsnummers waren achteloos over en weer gegooid. Je wilde niet dat zo’n sleutel kwijtraakt of in handen kwam van iemand met kwade bedoelingen. Alles moest zichtbaar zijn. Er hingen immers geen camera’s die hielpen om fraude te voorkomen.
Eerder waren er ook oude en beschadigde briefjes gebruikt. Een groot risico, want dan zou je aan het papier kunnen zien welk lotnummer het betrof. Alle lootjes dienden voortaan dezelfde vorm, dikte en kleur hebben. ‘Geen briefjes meer te gebruiken uit vorige loterijen,’ werd de regel. ‘Egal van papier en van dikte en grootze, niet bemorst of beklat, maar alles duidelyk.’
Alles gebeurde natuurlijk met de hand. Een foutje kon zomaar worden gemaakt. En één foutje kon leiden tot reputatieschade, ook toen al. Het document maakt ook de strenge hiërarchie van de loterijorganisatie inzichtelijk.
De trekkingen hoorden telkens op hetzelfde moment te beginnen: ’s ochtends om 10 uur en ’s middags om twee uur. Bij iedere trekking diende directeur Copius zelf beslist aanwezig te zijn. Op het podium mochten nadrukkelijk alleen bevoegde personen. ‘Niemand daar op dan die er nodig zijn.’ Voor de eerste directeur Copius zelf gold, tenslotte, ook een duidelijke regel: op het podium moest zijn hoed af.
Dit artikel maakt deel uit van een reeks historische verhalen over Staatsloterij en haar voorlopers. De reeks is opgesteld ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan van Staatsloterij.
De verhalen zijn gebaseerd op onderzoek van verschillende historici en wetenschappers en zijn geschreven door loterijdeskundige Arjan van ’t Veer.
CasinoNieuws publiceert deze verhalen in samenwerking met Staatsloterij. De teksten worden integraal gepubliceerd onder de naam van de auteur. Voor deze publicatie ontvangt CasinoNieuws geen financiële vergoeding.