Vrijdag 12 augustus 2022

Rechter: Kansspelautoriteit mocht geen bestemmingsheffing berekenen over lockdown periode

Kansspelautoriteit lockdown

De rechtbank Oost-Brabant heeft bepaald dat een een aanbieder van gokkasten geen kansspelheffing hoeft te betalen over de periode waarin Nederlandse speelautomatenhallen gesloten waren vanwege de coronapandemie. De aanbieder van gokkasten stapte naar de rechter nadat er kosten werden geheven over het hele kalenderjaar 2020.

Een aanbieder van gokkasten is met succes naar de rechter gestapt vanwege de kansspelheffing die werd geheven over 2020. De aanbieder vond het bedrag van € 664.244 te hoog omdat het werd berekend over het gehele jaar 2020. In dat jaar begon de coronapandemie in ons land en gingen bepaalde sectoren op slot tijdens verschillende lockdowns.

Dat was ook het geval voor casino’s en speelautomatenhallen. Gedurende drie periodes in 2020 waren de verschillende landgebonden gokbedrijven dicht:

  • 14 maart – 1 juli 2020
  • 4 – 18 november 2020
  • 15 – 31 december 2020

Het zorgde ervoor dat de gokkasten van het bedrijf tijdens 38% van alle dagen in 2020 niet in gebruik waren. Toen de heffing over het gehele jaar binnen kwam, diende het bedrijf een bezwaar in bij de Kansspelautoriteit (Ksa). Dit bezwaar werd echter door de Ksa als ongegrond verklaard. Daarop stapte het bedrijf naar de rechter.

Heffing om Kansspelautoriteit te bekostigen

De heffing waar de zaak over gaat, is een bestemmingsheffing die alle vergunninghouders in Nederland afdragen aan de Kansspelautoriteit. Met deze bestemmingsheffing worden de kosten van de Ksa gedekt en wordt er een bijdrage geleverd aan het verslavingsfonds.

De bestemmingsheffing wordt gebaseerd op het aantal spelersplaatsen van de betreffende vergunninghouder. In het geval van de aanbieder van gokkasten wordt gekeken naar hoeveel spelers tegelijkertijd kunnen spelen op het totaal aantal gokkasten. In de uitvoeringsregeling kansspelheffing staat vastgelegd hoe de tarieven worden berekend.

Bij kansspelen op afstand en loterijen wordt er gekeken naar de nominale waarde van de deelnamebewijzen. Dit gaat bijvoorbeeld over het aantal verkochte loten of alle inzetten minus het uitgekeerde prijzengeld.

Dit wordt in het geval van landgebonden gokkasten niet zo gedaan en dat vindt het bedrijf oneerlijk. Het bedrijf vindt dat als er bij het ene spel wordt gekeken naar daadwerkelijk gebruik, dan moet dit ook bij andere spellen zoals de gokkasten.

De Kansspelautoriteit zegt dat de huidige werkwijze een logische keuze is, omdat de vergunning wordt vergeven op basis het aantal spelersplaatsen. Als de heffing berekend moet worden over het aantal spelersplaatsen van daadwerkelijk actieve gokkasten, dan zou dit ’te grote administratieve- en bestuurslasten’ met zich mee brengen.

Rechter verklaart het beroep gegrond

De rechter is het niet eens met de Kansspelautoriteit en verklaart het beroep van het gokkastenbedrijf gegrond. In de uitspraak zegt de rechter te snappen dat er geen rekening is gehouden met een crisis zoals de coronapandemie bij het opstellen van de beleidsregels. De maatregelen tijdens de coronacrisis duurden lang en waren ingrijpend.

Daarnaast gaat de rechter mee in de uitleg van het bedrijf over het kijken naar het daadwerkelijke aanbod. De Kansspelautoriteit controleert op zes momenten in het jaar hoeveel spelersplaatsen er zijn en dat wijst erop dat er wel degelijk wordt gekeken naar het daadwerkelijke aanbod.

Om die reden is het volgens de rechter onterecht dat er over het gehele jaar een heffing wordt berekend. De gokkasten waren, op last van de overheid, immers tijdens 38% van de kalenderdagen niet in gebruik. De rechter oordeelt daarom dat het bedrijf alleen een heffing hoeft te betalen over het aantal dagen dat de gokkasten in gebruik waren.

De heffing over 2020 is voor het bedrijf bijgesteld naar 62% van de oorspronkelijke € 664.244 en komt daarmee uit op € 411.831,28.

Laat een reactie achter