De ondernemer vroeg in december 2024 bij de burgemeester van Leiden een aanwezigheidsvergunning aan voor twee speelautomaten die al in de horecazaak aanwezig waren. De burgemeester wees die aanvraag af, omdat de zaak volgens de gemeente niet kan worden aangemerkt als een hoogdrempelige horeca-inrichting.
Dat onderscheid is van belang voor het mogen plaatsen van kansspelautomaten. Op grond van de Wet op de kansspelen mogen kansspelautomaten alleen worden opgesteld in onder meer hoogdrempelige horeca-inrichtingen. Daarvan kan sprake zijn bij een café of restaurant waar het café- of restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend.
Snackbar of restaurant
Volgens de gemeente is de Leidse horecazaak een snackbar en daarmee laagdrempelig. Op de betreffende locatie staat het omgevingsplan bovendien alleen horeca in categorie twee of lager toe. De gemeente stelde daarnaast dat de zaak ook niet als hoogdrempelig kan worden aangemerkt wanneer deze als restaurant zou worden beschouwd, omdat klanten er eten en drinken kunnen afhalen.
De ondernemer is het daar niet mee eens. Volgens haar moet bij de beoordeling vooral worden gekeken naar de manier waarop de zaak feitelijk wordt geëxploiteerd. De onderneming zou voornamelijk het karakter hebben van een ‘petit restaurant’, met bediening aan tafel en een uitgebreide menukaart.
Ook zou er een duidelijke afscheiding zijn tussen het restaurantgedeelte en het gedeelte waar de speelautomaten staan. Dat klanten ook eten kunnen afhalen, betekent volgens de ondernemer niet automatisch dat sprake is van een laagdrempelige inrichting. Daarnaast wees zij op eerdere beoordelingen van deskundigen, waaronder Verispect.
Geen spoedeisend belang
De ondernemer vroeg de rechtbank om de twee speelautomaten in afwachting van de beroepsprocedure toch toe te staan. Volgens haar loopt zij door de weigering inkomsten mis en leidt dit tot onevenredige financiële schade.
De voorzieningenrechter vindt echter dat het spoedeisende belang onvoldoende is aangetoond, zo valt te lezen in de uitspraak van begin juli. Ondanks een verzoek van de rechtbank leverde de ondernemer geen financiële stukken aan waaruit blijkt dat het voortbestaan van de zaak in gevaar komt.
Ook ziet de rechter geen aanleiding om in te grijpen omdat het besluit van de burgemeester evident onrechtmatig zou zijn. Uit een controle in november 2025 bleek volgens de gemeente dat in de zaak eenvoudige maaltijden worden verkocht. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester daarmee voorlopig voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een laagdrempelige inrichting.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom afgewezen. Daarmee is de vergunningkwestie nog niet definitief beslecht, want het beroep van de ondernemer tegen de weigering loopt nog.













Login om een reactie te geven
Snel inloggen met social media
Login met e-mailadres
Nog geen account? Meld je hier aan.