Delen is vermenigvuldigen. Dat is het motto van de loterijverenigingen die in de loop van de twintigste eeuw steeds populairder worden. Met een groepje vrienden of bekenden koop je meerdere loten. Je kans op winst neemt zo toe, terwijl je kosten gelijk blijven. Bijkomend voordeel: de ‘vergaderingen’ met je medespelers zijn vaak meer dan gezellig.
De mannen kenden elkaar goed. De bakker, timmerman en cafébaas van Renesse, de eigenaar van het postkantoor en een van de grootste boeren. Waarschijnlijk hadden ze ergens gehoord over het idee van een loterijvereniging. Het uitgangspunt sprak hen aan: je vergroot je kans op winst, zonder meer kosten te maken.
Gezamenlijk richten de mannen in 1923 de loterijvereniging van de Zeeuwse badplaats op. De bakker kwam, na enig nadenken, met een naam: ‘Hoop op winst’. De anderen stemmen hier ongetwijfeld snel mee in. Want, daar kwam het toch op neer? Of draaide het minder om de winst, en meer om het plezier?
De vijf bestuursleden besloten dat hun loterijvereniging twee keer per jaar bijeen zou komen, na iedere trekking. Het samenzijn aan het begin van het jaar fungeerde meteen als algemene ledenvergadering. Er was plaatst voor twintig leden. Voorwaarde: woonachtig in de gemeente Renesse. Ook belangrijk: geen vergaderingen op de repetitieavonden van de muziekvereniging.
“Het was in de jaren twintig van de vorige eeuw niet moeilijk om voldoende leden te vinden voor ‘Hoop op winst’, al woonde er toen nog geen duizend mensen in Renesse.”
Het was in de jaren twintig van de vorige eeuw niet moeilijk om voldoende leden te vinden voor ‘Hoop op winst’, al woonde er toen nog geen duizend mensen in Renesse. Tot dan toe verdienden de meesten de kost als landarbeider of eenvoudig werkman. Er was wat fruitteelt, enkelen hielden geiten. De bewoners heetten, in het Zeeuwse dialect, ook wel ‘zandloapers’, naar de kust met de indrukwekkende zandstranden.
Het bestaan was eenvoudig. De hervormde kerk speelde een centrale rol in het leven van de bewoners, naast het lokale café. Er waren wat winkeltjes, twee bakkers, twee slagers, een smidse annex garage, en een postkantoor. In het verenigingsleven zag je veel dezelfde gezichten. Bij de fanfare, de voetbalclub, het zangkoor, de geitenfokvereniging; overal kwam je elkaar tegen.
Maar in die jaren twintig begon het toerisme op gang te komen. Er was in 1911 een VVV opgericht. Een paar jaar later volgde een eigen tramstation. De opening van de eerste camping volgde, met de naam Bona Fide. In 1925 opende de cafébaas het eerste strandpaviljoen, Strandlust.
Deze cafébaas, Pieter Telle geheten, was een van de aanjagers van de loterijvereniging. Vanuit Haarlem was hij met zijn vrouw en twee kinderen terug naar Zeeland verhuisd. Hij was geboren in Zonnemaire, een klein dorp niet ver van Renesse. Zijn café kreeg de naam ‘De Waerelt’. Hier zouden de leden van de loterijvereniging samenkomen. De toenemende welvaart in het dorp maakte dat de bewoners wel in waren voor een gokje.
Al had de eerste secretaris van het bestuur er een hard hoofd in. Die bijeenkomsten met zijn plaatsgenoten zouden heus gezellig zijn. Maar of ze ook iets zouden winnen? In zijn notulen, bewaard in het Zeeuws archief, schreef hij: ‘Het mislukt…’
De eerste loterij waar ‘Hoop op winst’ aan meedeed, was de 432e Staatsloterij. Besloten werd om vijf 5 ééntiende loten te kopen. De penningmeester van het pas opgerichte bestuur zorgde voor de aankoop van de loten. Hij regelde dat alles ordentelijk verliep.
De contributie schommelde doorgaans tussen de ƒ1,80 en ƒ2, wat toch een substantieel bedrag is, daar het gemiddelde jaarsalaris indertijd rond de ƒ1100 bedroeg. Soms werd er 50 guldencent of een gulden extra gevraagd, bijvoorbeeld bij een cadeau voor een huwelijksjubileum of een grafboeket bij een overlijden.
De hoogte van de contributie hing af van de prijzen die werden gewonnen. De winst ging eerst naar nieuwe loten, zo werd afgesproken. Daarbij was er geld nodig om de rekening van de baas van café ‘De Waerelt’ te betalen. Ze wilden tijdens hun vergaderingen immers niet op een droogje zitten. Het geld dat nog over was, zou worden uitgekeerd. In de praktijk zou het erop neerkomen dat bij winst van 50 gulden of meer uitbetaling zou volgen.
“Toch werd het lidmaatschap van ‘Hoop op winst’ populair. Er kwam een wachtlijst.”
Toch werd het lidmaatschap van ‘Hoop op winst’ populair. Er kwam een wachtlijst. Naar de geest van de tijd, sloten alleen mannen zich bij de loterijvereniging aan. In de notulen duiken klachten op van de penningmeester over niet-betalende leden. Of mannen die te laat met hun geld kwamen aanzetten. Tot ergernis van de penningmeester, die dan moest voorschieten.
Met die eerste loterij wonnen ze met één van de loten ƒ7, net zoveel als ervoor was betaald. De andere leverden niets op. De eerste ronde betekende meteen een verlies.
‘Hoop op winst’ deed zijn naam eer aan. En liet zich niet uit het veld slaan. Voor de 433e trekking van de Staatsloterij investeerde de penningmeester in een half lot van ƒ35 en nog eens 2 ééntiende loten. Daarbij werd ook meegedaan met een verloting in Dinteloord. Hierbij werd vier loten van 50 guldencent gekocht.
In Dinteloord kon een paard, een varken of een koe worden gewonnen. Dat zagen de leden wel zitten.
Daarnaast speelde de vereniging mee met de loterij van de zogenoemde ‘De Witte Stad’. Dit was een niet-officiële loterij die meeliftte op het succes en de populariteit van de Staatsloterij. De Staatsloterij mocht maar een beperkt aantal loten verkopen en deze zogenoemde ‘briefjesbedrijven’ haakten handig in op de grotere vraag. De verkoop verliep op dezelfde manier, soms tegen iets andere voorwaarden, maar altijd gebruikmakend van de uitslag van de Staatsloterij.
De leden van ‘Hoop op winst’ hadden wat twijfels over ‘de Witte Stad’, maar de timmerman wist de andere bestuursleden te overtuigen. Hij stelde zich garant. Als het fout zou gaan, zou hij de kosten uit eigen zak betalen, zo beloofde hij.
De twee ééntiende loten brachten, wederom, een zogenoemde ‘eigen geldje’ op. De kosten voor de loten waren net zo hoog als het gewonnen bedrag. Deze 14 gulden werden volgens de notulen van de vergadering van 16 februari 1924 gebruikt om ‘deze avond een beetje in een feestelijke stemming te brengen’.
‘Allen hebben zich goed geamuseerd,’ schreef de secretaris in zijn verslag. Onder het motto: ‘Glaasje, kaartje, biljartje.’ Deelden de mannen, al kaarten en kletsend en borrelend, hun dromen van een grote loterijprijs? Of was het hen daar steeds minder om te doen?
In de jaren dertig steeg het aantal vergaderingen naar drie per jaar. In de crisisjaren had de overheid meer geld nodig en kreeg de Staatsloterij twee in plaats van drie jaarlijkse trekkingen. Nou ja, vergaderingen, heel lang duurden de officiële gedeelten van de bijeenkomsten doorgaans niet. Het sociale aspect leek steeds belangrijker te worden.
En dat ging ook wel eens mis. Zo zegt ene meneer Van den Hoek zijn lidmaatschap in 1927 per direct op. De vereniging was zijn huwelijk vergeten. Hij had geen presentje ontvangen. Twee andere leden hadden voor hun trouwjubileum ieder een strijkijzer met de waarde van 90 guldencent gekregen.
“Zo zegt ene meneer Van den Hoek zijn lidmaatschap in 1927 per direct op. De vereniging was zijn huwelijk vergeten. Hij had geen presentje ontvangen.”
Belangrijk: de gezellige vergaderavonden waren exclusief voor de leden van ‘Hoop op winst’. In de notulen duikt een klacht op over cafébezoekers die zomaar in- en uitliepen. In 1928 realiseerde men zich tijdens de vergadering op 18 oktober dat de vereniging 5 jaar bestond. Helemaal vergeten! Er was nooit een grote prijs gewonnen, maar het lustrum diende alsnog gevierd, zo werd besloten. Dat kon wel tijdens de eerstvolgende bijeenkomst, begin 1929.
Voor het zover was, werd er een spoedvergadering bijeengeroepen. Het gonsde in Renesse. Wat speelde er bij ‘Hoop op winst’? Was het uit de hand gelopen met een wanbetaler? Maakte een lid zich opnieuw kwaad over het vergeten van een presentje voor een huwelijksjubileum?
Niets van dit alles! Doordat het er veelal zo gezellig was, leken de heren het even vergeten, maar uiteindelijk draaiden hun bijeenkomsten om de gezamenlijke loterijdeelname. En wat bleek het geval? Er was ƒ850 gewonnen! Dat was zowaar een klapper, daar het gemiddelde jaarsalaris immers ƒ1100 bedroeg. Het was wel jammer, klonk het meteen, dat ze maar met een half lot hadden meegespeeld. Dan hadden ze twee keer dit bedrag gewonnen… ƒ1600.
Niettemin was de winst voldoende reden voor een extra gezellige avond. Besloten werd om 40 gulden per lid uit te keren. Het bestuur kreeg applaus. De resterende ƒ50 ging naar de consumpties voor die avond, zo werd unaniem besloten. Er werd menig biertje en jenevertje besteld.
En het bleef nog lang gezellig, noteerde de secretaris, ook al kon de zaal ‘door de harde winter niet voldoende worden verwarmd’.
Loterijverenigingen werden in die tijd overal in Nederland een populair fenomeen. Het was de ideale manier om voordelig mee te spelen aan de Staatsloterij. Bovendien was het een, in een tijd dat er verder beperkt vermaak was, een reden om dorpsgenoten te treffen. Naar schatting zou Nederland een paar duizend van deze verenigingen tellen.
“Loterijverenigingen werden in die tijd overal in Nederland een populair fenomeen. Het was de ideale manier om voordelig mee te spelen aan de Staatsloterij.”
Vandaag de dag is het nog steeds geliefde optie. Op de website van de Staatsloterij kunnen mensen nu kiezen voor de optie ‘groepsspelen’. Dan wordt online alles geregeld. Een speciaal bestuur met een betrouwbare penningmeester is niet nodig. Het is evenmin vereist om na iedere trekking bij elkaar te komen. De heren van ‘Winst op hoop’ zouden dit vast maar ongezellig hebben gevonden.
Of het door het verhaal over de winst van ƒ850 kwam, of door de toenemende populariteit van het fenomeen loterijvereniging is onbekend, maar in 1929 kreeg een Renesse een tweede loterijvereniging, met de naam ‘Fortuna’. Deze leden kwamen samen in het andere café van het dorp, Het Wapen van Zeeland.
In 1984 zouden de twee verenigingen fuseren. De nieuwe naam werd een compromis: ‘Hoop op fortuin’. Het bleef al die tijd een mannenclub. Het ledenmaximum steeg wel van twintig naar dertig heren. Maar de leden vergrijsden in de loop van de tijd, de populariteit van de gezellige avonden taande. Deze vereniging zou het tot 1993 volhouden.
Voor zover bekend is er nooit een grotere prijs gewonnen dan ƒ850. En of dat nou erg was? Want al hoopten de leden, naar de naam van hun vereniging, op winst. Het draaide toch vooral om het samenzijn, proost.
Dit artikel maakt deel uit van een reeks historische verhalen over Staatsloterij en haar voorlopers. De reeks is opgesteld ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan van Staatsloterij.
De verhalen zijn gebaseerd op onderzoek van verschillende historici en wetenschappers en zijn geschreven door loterijdeskundige Arjan van ’t Veer.
CasinoNieuws publiceert deze verhalen in samenwerking met Staatsloterij. De teksten worden integraal gepubliceerd onder de naam van de auteur. Voor deze publicatie ontvangt CasinoNieuws geen financiële vergoeding.