Vandaag – 4 april- is het precies drie eeuwen geleden dat de eerste trekking van de Generaliteitsloterij werd gehouden. Dat was de voorloper van de huidige Staatsloterij die in de drie eeuwen een flink aantal andere benamingen had. Zo was er de Bataafsche Loterij, de Koninklijke Hollandsche, weer later de Nederlandsche en pas in 1848 de Staatsloterij.
De loterij van de Nederlandse staat is een van de oudste, zo niet de alleroudste nog bestaande loterij van de wereld. Dat is een felicitatie waard. De vraag aan wie de gelukwens moet worden overgebracht: de minister van Financiën?
De binding tussen de staat en loterij blijkt helemaal niet zo onlosmakelijk als de naamgeving doet vermoeden. Tien jaar geleden ging de Staatsloterij op in de Nederlandse loterij, zij huist nu samen met spellen als de Lotto en de Toto. De oude dame is tegenwoordig een onderdeel van een organisatie die zich vooral inzet voor goede doelen, de staatskas pikt nu van al die spellen flinke graantjes mee.
Wie komt de felicitatie dan wel toe? Gevoelsmatig gaat het wat mij betreft om de lotenkopers. Want geen kansspel zonder deelnemers. Wat ik mooi vind is dat de Nederlandse loterij met een smaakvol gemaakte commercial dit jaar een ode brengt aan haar klanten.
We zien hoe een lotenkoper door het tijdsbeeld van drie eeuwen zijn lot en daarmee zijn droom najaagt. Vergeefs, zo blijkt uit de min of meer verborgen boodschap in het filmpje. Want het huis waarvan de lotenkoper droomt, staat zo’n beetje drie eeuwen later nog steeds op Funda (of voorlopers) te koop. Het is een subtiele knipoog naar het gegeven dat je eigenlijk ongeveer 352.635 jaar oud moet worden om statistisch gezien een keer de hoofdprijs te winnen.
De miljoenen deelnemers hebben allemaal – bewust of onbewust – hetzelfde fetisj: financieel masochisme. Het komt hierop neer: men legt miljarden in om miljoenen te winnen. Een minister van Financiën zei er ooit dit over: ‘de Staatsloterij is een extra belastingheffing, op onnozelheid’. Hij – Gerrit Zalm – schaterde erbij, zoals alleen hij dat maar kan.
De onnozelheid is gelukkig tamelijk onschuldig. Gokverslaving doet zich bij een loterij niet of nauwelijks voor, hoewel de Nederlanders eens per jaar voor de Oudejaarstrekking massaal loten kopen. Kennelijk boeit het niet dat er steeds meer loten worden uitgegeven en de hoofdprijs al jaren gelijk blijft. Laten we de deelname maar vrolijke dwangmatigheid noemen.

Begin jaren zeventig van de vorige eeuw is het Staatskansspel via een prachtig logo gesymboliseerd: met een klein visje (een spierinkje) een grote vis (een kabeljauw) vangen. Uitgerekend in dit jubileumjaar amputeerde de Nederlandse loterij het kleine visje uit het eens zo iconische beeldmerk.



Maar waarom? Is het een rigoureuze kentering van de communicatie-aanpak? En wordt voortaan de meestal vergeefse mega-investering de lotenkopers gesymboliseerd? Liet men het oor hangen naar de vereniging tegen het vissen met levend aas? Of is het simpelweg historische onnozelheid?
Als het beeldmerk op de schop kon, is het nu de beurt aan de loterij-naam. Door de eeuwen heen veranderde die vele malen. Nu de banden met de Staat der Nederlanden niet meer exclusief zijn, is het wel zo zuiver de naam te veranderen. De Loterij volstaat.