Er hoeft geen wetswijziging doorgevoerd worden om matchfixing strafbaar te maken in Nederland. Dit blijkt uit onderzoek dat de Rijksuniversiteit Groningen uitvoerde. Het ministerie van Justitie en Veiligheid vroeg de universiteit te onderzoeken hoe het Nederlandse strafrecht om zou moeten gaan met matchfixingzaken.
Op 2 december 2021 dienden (toenmalig) Kamerleden Mirjam Bikker (
) en Jeanet van der Laan (
) een motie in om matchfixing via een wetswijziging strafbaar te maken in Nederland. De motie werd unaniem aangenomen in de Tweede Kamer, en dus werden de eerste verkennende onderzoeken gestart naar de strafbaarheid van matchfixing.
Nu, ruim drieënhalf jaar later, wordt opnieuw een onderzoek gedeeld dat is uitgevoerd naar aanleiding van de motie. De Rijksuniversiteit Groningen bekeek twee matchfixingcasussen en analyseerde hoe er in Tsjechië en België, waar de zaken zich afspeelden, werd gehandeld in het strafrecht. Daarnaast werd gekeken of de casussen ook tot strafbepalingen konden komen in het Nederlandse strafrecht. Er werd gekeken naar de volgende twee casussen:
- Voetballer David J. zou in Tsjechië geld hebben aangenomen om voetbalwedstrijden te manipuleren.
- De Armeens-Belgische bende die achter een grootschalig matchfixingschandaal zat in de tenniswereld.
Strafzaken
In beide landen kwam het tot een strafzaak tegen de betrokkenen, maar hier werd niet op eenzelfde wijze mee omgegaan. In Tsjechië werd de voetballer aangeklaagd wegens ‘omkoping inzake matters of general interest‘. De voetbalwedstrijden vielen onder ‘matters of general interest' vanwege de grote belangstelling voor de wedstrijden en de financiële belangen bij de wedstrijden.
In België zou het volgens de onderzoekers logisch zijn geweest als er werd gekeken naar ‘private omkoping', maar dit zou het Belgische Openbaar Ministerie niet hebben gedurfd. In plaats daarvan koos men voor veroordeling op basis van oplichting en overtreding van de kansspelwetgeving.
Kwetsbaarheden in Belgische en Tsjechische wetgeving
De onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen kwamen daarmee tot de conclusie dat zij juist kwetsbaarheden hadden blootgelegd in de Belgische en Tsjechische wetgeving. In Tsjechië is het namelijk nog maar de vraag of elke sportwedstrijd valt onder ‘matters of general interest', omdat niet elke sport even populair is met net zo grote financiële belangen. Daarnaast zou ook bij voetbal nog onduidelijk zijn of elke competitie onder deze noemer kan vallen, omdat lagere competities bijvoorbeeld ook minder interessant zijn voor het grote publiek.
In België werd niet gekozen voor een vervolging voor ‘private omkoping', terwijl dat de meest logische route is volgens de onderzoekers. Het probleem zou hierbij zitten in de term ‘lasthebber'. Bij private omkoping is de persoon die wordt omgekocht een ‘lasthebber'. Dit is iemand die namens een ander werkt of opdrachten uitvoert, en die definitie zou niet volledig sluitend zijn voor alle sporters. Veel sporters zouden op papier zelfstandigen zijn waarmee de term lasthebber niet altijd bruikbaar zou zijn.
Nederland
Ook in Nederland zou in vergelijkbare zaken voor private omkoping gekozen moeten worden, zo stellen de onderzoekers. Echter, ook in Nederland zou de term ‘lasthebber' nog voor de nodige onduidelijkheden kunnen zorgen. De onderzoekers adviseren daarom om deze term concreter te maken, maar dit zou niet per se via een wetswijziging moeten gebeuren:
“Al met al rijst het vermoeden dat, in het kader van artikel 328ter Sr, een contractuele gedragsnorm ook zelfstandig iemand tot lasthebber zou kunnen maken ter zake van die gedragsnorm, ook al volgt de status van lasthebber niet tevens uit de aard van de contractuele relatie als geheel.”
‘Strafbare sportmanipulatie', Rijksuniversiteit Groningen
Het probleem dat in België ontstond zou op te lossen zijn met een ‘contractuele gedragsnorm'. Sportorganisaties zouden daarom afspraken moeten opnemen in hun reglementen en contracten met sporters. Hierdoor zouden de sporters alsnog gezien kunnen worden als ‘lasthebber'.
Mochten de sportorganisaties hier niet in mee willen gaan, dan zou het opgelost kunnen worden met een wetswijziging. Hier lijkt het ministerie van Justitie en Veiligheid echter niet voor te gaan. In de toezeggingen naar aanleiding van moties is te lezen dat ervoor is gekozen om de route zonder wetswijziging te bewandelen:
“De RUG adviseert daarnaast om het begrip ‘lasthebber’ in de strafbaarstelling van niet-ambtelijke omkoping verder in te vullen. Dit pakt de minister van JenV op, hiervoor is geen wetwijzigingstraject nodig.”
Moties en toezeggingen, 18 juni 2025
Openbaar Ministerie stopt met opsporing matchfixing
Eerder deze week werd bekend dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om te stoppen met het actief opsporen van matchfixing. Volgens het OM is de capaciteit binnen politie en justitie te beperken en moesten daarom keuzes gemaakt worden. Er is gekozen om te stoppen met de opsporing van matchfixing, omdat er op dit onderwerp slechts twee strafzaken zijn geweest in de afgelopen twaalf jaar.
Er zouden simpelweg te weinig signalen van matchfixing in Nederland zijn, zo vertelde het Functioneel parket tegenover De Telegraaf. Het OM blijft wel reageren op signalen van matchfixing, maar stopt met de actieve opsporing.