Zaterdag 6 juni 2026

Speel bewust

Wedden op paarden: een race tussen de koopman en de dominee

bookmaker wedden op paarden historie geschiedenis

“Mijn paard is sneller dan de jouwe”, zei de één. “Wedden van niet?”, reageerde de ander. Zo kan de oervorm van de sportweddenschappen zijn ontstaan.

Ook in Nederland draven of galopperen de paarden om het hardst. Daarop wordt al eeuwen gegokt, hoewel de rechtgeaarde paardenraceliefhebber liever spreekt van wedden. Sinds het einde van 19e eeuw worstelt de Nederlandse samenleving met wet- en regelgeving als het gaat om dit kansspel.

CasinoNieuws dook diep in de historie van de roemruchte paardenracerij en ziet parallellen met hedendaagse dilemma’s als het bijvoorbeeld gaat om het beteugelen van ‘de menselijke speelzucht’. Waar haver en hooi voor paarden op het menu staan, is door de eeuwen heen de kansspelwet- en regelgeving voer voor juristen. Paarden als Quicksilver S, Henri Buitenzorg, Yellowa en Action Skoatter draafden om het hardst, draafden.

Op de achtergrond streden de koopman en de dominee om voorrang als het ging om wat er qua gokken wel en niet mocht. En eigenlijk spelen commercie versus moralisme nog steeds een hoofdrol in de kansspelwereld.

Er waren er ooit veel meer, maar op de banen van Alkmaar, Duindigt, en Wolvega wordt nog altijd regelmatig met paarden geraced. Verder is er een aantal accommodaties in het noorden van het land waar op een grasveld een ovaal parcours wordt uitgezet.

Uniek in de wereld zijn de zogenoemde kortbaandraverijen: straatraces waarbij de paarden éen-tegen-één over 300 meter tegen elkaar sprinten. Met name in Noord-Holland zijn dat bijzonder goed bezochte evenementen die doorgaans worden gecombineerd met dorpsfeesten inclusief een niet te vermijden kermis. Vele bezoekers wagen een gokje, dat kan tegenwoordig aan de kassa’s van ZEturf maar ook online.

Prille wetten

Aan het legaliseren van het wedden op paarden ging eeuwenlang veel gedoe vooraf. In een in 1886 verschenen artikel in het Rechtsgeleerd Magazijn vraagt de jurist Dentz van Schaick – advocaat te Amsterdam – zich af of de bookmaker zijn beroep bij paardenraces ongestraft kon blijven uitoefenen. Er waren toen nieuwe bepalingen voor het Wetboek van Strafrecht op komst.

“Door luid schreeuwen en door een bord kondigt hij de verhouding aan, waarin hij op een zeker paard weddenschappen aanneemt.”

Jurist Dentz van Schaick, Rechtsgeleerd Magazijn (1886)

Hij beschreef hoe bookmakers te werk gingen: “Door luid schreeuwen en door een bord kondigt hij de verhouding aan, waarin hij op een zeker paard weddenschappen aanneemt.” Dentz vervolgt. “Hij, die wedden wil, moet nu een zekeren inzet betalen, waarvoor hij een reçu ontvangt, vermeldende het bedrag daarvan, de verhouding waarin, en den naam van het paard waarop gewed wordt; behaalt dat paard den prijs, dan krijgt men zijn inzet terug, benevens, indien bijvoorbeeld 5 tegen 1 gewed is, vijf maal dien inzet, verliest daarentegen dit paard, dan verbeurt men de inleg.”

Er was echter wel een probleem. Onder het toen van kracht zijnde wetboek de Code Pénal was het aanbieden van kansspelen verboden. Het Wetboek van Strafrecht was destijds in de maak. Daarin zou komen te staan dat het aanbieden van kansspelen strafbaar was, mits dit zou gebeuren op de openbare weg.

Meester Dentz sprak niet van een maas in de wet, maar hij zag daarin wel een uitweg. “Op de dagen der wedloopen zijn de thans besprokene velden toegankelijk gesteld voor een ieder die den strijd om den prijzen wil aanschouwen, maar stellig gesloten voor het openbaar verkeer.”

Totalisator vs bookmakers

Er waren twee spelsystemen:

  • Bookmakers maakten voor het begin van een race een inschatting van de winkansen van de deelnemers. Zij boden vervolgens weddenschappen aan tegen een vaste quotes, ook wel odds genoemd. Als een ‘bookie’ verwachtte dat een paard een heel grote kans had, bood hij bijvoorbeeld een quote van 2 tegen 1 aan. De wedder kreeg dan bij een zege van het betreffende paard, 2 guldens per ‘geïnvesteerde’ gulden. Een zogenoemde outsider waarvan niet zoveel werd verwacht – liep in dezelfde race mee tegen een quote van bijvoorbeeld 10 tegen 1.
  • De totalisator had een andere werkwijze. Daar ging alle inzetten in een centrale pot. Op borden werd er genoteerd hoeveel geld er op een bepaald paard werd gespeeld, zodat iedereen kon zien welk paard favoriet was, en welk paard – in de ogen van het spelend publiek – minder kans had. Er kon tot vlak voor de start worden ingezet, zodat de vorm van de dag tijdens de warming up door kenners kon worden beoordeeld. Na afloop van de race werd de totale pot gedeeld door het aantal juiste weddenschappen op het winnende paard. Dit na inhouding van een percentage dat ging naar de organisator van de paardenraces. Die kon daarmee het prijzengeld van de paardenrace financieren, dat waren de inkomsten van de eigenaar en trainer van het winnende paard.

Over het algemeen werd het totalisatorsysteem als minder fraudegevoelig gezien dan de quotering door bookmakers. Ten eerste was het een transparanter proces en het maakte het
minder lucratief om bijvoorbeeld een wedstrijd moedwillig te verliezen. Matchfixing lijkt in de paardenracerij te zijn uitgevonden.

Zedelijkheid

Nadat in 1905 de Loterijwet van kracht werd, bleven de toenmalige bewindslieden fel gekant tegen vormen van excessief gokken. Dit werd als onzedelijk gedrag gezien.

Dat diende onder andere door aanhangers van traditionele normen en waarden zoveel mogelijk worden bestreden. Er zou onder andere een verbod op allerhande kansspelen worden ingevoerd, maar onduidelijk was of het wedden op paarden daaronder zou vallen.

“Spreker heeft zelf in het buitenland den stormloop naar zoo’n totalisator bijgewoond, en hoeveel geld er wordt er niet verloren! Veel menschen, waaronder kleine luiden, zijn erdoor geruïneerd”

Adrianus Cornelis Antonie van Vuuren (kamerlid RKSP) (1926)

Kamerlid Van Vuuren (Katholieke volkspartij) diende een motie in met als doel dat het paardenspel expliciet onder het verbod zou vallen. Dit ondanks de repliek van de minister dat de draf- en rensport in financiële moeilijkheden zou komen. De motie van Van Vuuren haalde het in de Tweede Kamer met een krappe meerderheid. Er kwam dus een verbod op het wedden op paarden.

In 1911 na de invoering van de wet, verdween de totalisator. Een aantal bookmakers ging echter vrolijk verder, zo blijkt uit diverse publicaties. Het grote verschil was dat bookmakers geen winsten meer afstonden aan de renbaanorganisaties. Het gevolg was dat zij nog maar zeer beperkt prijzengeld ter beschikking konden stellen voor de winnaars van de races. Paardentrainers, jockeys, pikeurs en stoeterij-eigenaren konden nog maar moeilijk hun hoofd boven water konden houden. Men ging op de fles, of vertrok naar het buitenland.

Reddingspoging redt het niet

In 1926 ondernam kamerlid Van Rappard een poging om het paardenwedverbod van tafel te krijgen. Fondsenwerving (om het paardenbestand in Nederland te verbeteren) en het bestrijden van de illegaliteit waren zijn voornaamste argumenten.

Van Vuuren was echter ook nog altijd kamerlid. Hij onderstreepte dat het wedden op paarden geen onschuldig spelletje is, hij keek over de grens. “Spreker heeft zelf in het buitenland den stormloop naar zoo’n totalisator bijgewoond, en hoeveel geld er wordt er niet verloren! Veel menschen, waaronder kleine luiden, zijn erdoor geruïneerd”, schreef de Haagsche Courant over zijn inbreng.

Kamerlid Albarda (van de SDAP, een voorloper van de PvdA) vond het curieus dat het belang van de paardenfokkerij centraal stond, terwijl “de belangen van de menschen wel zeer over het hoofd werden gezien.”

Van Rappard wierp er nog een argument in. De militairen zouden niet meer over goede paarden kunnen beschikken, omdat de fokkerij een matige kwaliteit paarden voortbracht, waarop kamerlid Duys als volgt reageerde: “Dan is de enige consequentie de cavalerie afschaffen of ze anders hobbelpaarden te geven.” De motie werd verworpen met 60 stemmen tegen en 9 voor.

Duitsers herintroduceren toto

Jarenlang gebeurde er weinig tot niets, bookmakers werden min of meer gedoogd, maar er was geen officiële instantie waar gewed kon worden.

Opmerkelijk: de Duitse bezetters stonden het wedden op paarden weer toe. Dat voorzag kennelijk in een behoefte want er werd flink wat omgezet. In 1941 ging het nog maar om 1,7 miljoen gulden, maar een paar jaar later ging het al om 17,9 miljoen gulden.

Na de bevrijding werd de paardentoto echter weer verboden, met als uitzondering voor de in Nederland verblijvende geallieerde militairen ‘die in hun eigen land gewoon waren de draverijen en rennen te bezoeken en het op prijs stelden ook hier in de gelegenheid te zijn bij een totalisator te wedden”, blijkt uit Tweedekamerstukken.

Parool (1948)

Legaliseren

Een paar jaar later kwam de regering met een wetsontwerp dat had als doel had de totalisator te legaliseren. Men had daar verschillende doelen voor: de opbrengsten van het wedden op paarden zouden ten goede moeten komen aan de paardenfokkerij, illegaliteit moest worden bestreden, en – ‘indien dit in de praktijk noodzakelijk mocht blijken’ – zouden er maatregelen genomen moeten worden om jeugdige personen te verbieden eraan deel te nemen.

Ook hoefden Kamerleden niet te vrezen voor een wildgroei. ‘De Totalisatorwet zal geenszins betekenen dat nu het hek van de dam is eerlang ook voetbalpools en het wedden bij windhonden zal worden toegestaan’, schreef de Volkskrant medio november 1948.

Bronnen: ‘Spelregels’, proefschrift verdedigd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam door auteur mr. Dr. Arjan van ’t Veer. Ook: diverse krantenartikelen en de websites archiefndr.nl, noord-hollandsarchief.nl, groningerarchieven.nl.

Gepubliceerd: . Laatste update: .

Partners

CasinoNieuws.nl heeft overeenkomsten met aanbieders van online kansspelen en gebruikt hiervoor affiliate-links. Als u via zo’n link een account aanmaakt, dan krijgen wij daar een commissie voor, zonder extra kosten voor u. Onze partners hebben geen invloed op de redactionele inhoud en reviews van CasinoNieuws.

Laat een reactie achter

Anne de Lange

Anne de Lange

kansspelexpert CasinoNieuws.nl
Anne de Lange was jarenlang verbonden aan de Staatsloterij (tegenwoordig Nederlandse Loterij) waar hij onder andere de rol van corporate communicatie-chef vertolkte. Hij zat in het bestuur van het Kansspelmuseum en is co-auteur van het Staatsloterijgeschiedenisboek ‘Een beter lot.’ Voor CasinoNieuws.nl schrijft hij af en toe een achtergrondartikel over loterijen en kansspelen in Nederland.